 Het gaat van banaal tot regelrechte drama’s en het is een oud zeer: de toepassing van de taalwetgeving in de Brusselse politiezones loopt meer dan mank en de politieke discussie sleept al jaren aan. Walter stapt opnieuw naar het Vast Comité voor Taaltoezicht. Een Vlaamse moeder die van de politie te horen kreeg dat haar zoon ‘verdronken’ was, terwijl hij enkel ‘dronken’ was. Een Nederlandstalige die bij aangifte van een daad van vandalisme eerst van het kastje naar de muur gestuurd werd bij een telefonische oproep en uiteindelijk met een eentalig Franstalige patrouille geconfronteerd werd, die hem van pure miserie dan maar zélf zijn pv liet invullen. Een vrouw die na een verkrachting drie uur moest wachten tot er uiteindelijk een Nederlandstalige agent beschikbaar was bij wie zij haar verhaal kwijt kon. De Belgische grondwet is duidelijk: Brussel is een tweetalig gebied met specifieke waarborgen voor de bewoners om in hun taal geholpen te worden. Toch stellen Nederlandstaligen (en jawel, sinds enkele jaren ook meer en meer Franstaligen) steeds opnieuw vast dat het met die dienstverlening in de eigen taal bijzonder slecht gesteld is. Het Brusselse probleem begint bij de aanwerving van het politiepersoneel. De tweetaligheid van de persoon was vroeger vereist bij de gemeentepolitie, maar niet bij de voormalige rijkswacht waar de tweetaligheid van de dienst gold. De politiehervorming heeft de tweetaligheid van de persoon uitdrukkelijk verplicht gesteld, de praktijk ziet er echter anders uit. De cijfers waar Walter in het voorjaar van 2004 de hand kon op leggen logen er niet om. Van de 5623 statutaire en contractuele personeelsleden bij de 6 Brusselse politiezones waren er toen 3873 die een tweetaligheidspremie verdienden. Er was voor al deze mensen in een overgangsregeling voorzien: ten laatste op 1 april 2006 -5 jaar na de politiehervorming- zouden zij in het bezit moeten zijn van een tweetaligheidsattest. Voor personeelsleden aangeworven na 1 april 2001 gold deze voorwaarde van in het begin. Toch kon in januari 2004 slechts 5% van hen zo’n attest voorleggen. Uit verklaringen in de pers van onder andere de korpschefs van de Zone Zuid (Anderlecht-Vorst-Sint-Gillis) en de Zone Montgomery (Sint-Lambrechts Woluwe, Sint-Pieters Woluwe en Etterbeek) weten we dat de toestand intussen nauwelijks is verbeterd. Dé strop in heel deze zaak ligt bij de controle op de tweetaligheid van de agenten in de meergemeentelijke politiezones. Sinds de politiehervorming heerst daarover de grootste onduidelijkheid en schuiven zowel het Brussels Gewest als de federale minister van Binnenlandse Zaken elkaar de hete aardappel door. Om uit die impasse te geraken stapte Walter reeds in 2003, samen met zijn CD&V-collega’s in de politieraden van de 6 Brusselse politiezones, naar het Vast Comité voor Taaltoezicht met een simpele vraag: WIE is bevoegd om de controle op de aanwervingen uit te oefenen? In het Brussels Parlement werd toenmalig Brussels Minister-President Daniël Ducarme geïnterpelleerd met dezelfde vraag. Ducarme kondigde prompt aan dat hij het advies van de Raad van State zou vragen. Intussen zijn we 2 jaar verder en is het op alle fronten oorverdovend stil. Walter richt zich dan ook opnieuw tot het Vast Comité voor Taaltoezicht. Hij vraagt bijkomende onderzoeksmaatregelen die moeten toelaten eindelijk op objectieve basis de discussie aan te gaan. Meteen hoopt hij zo ook de langverwachte uitspraak van het Comité over de politieke verantwoordelijkheden inzake de controle op de aanwervingen te kunnen afdwingen. Al zal dat laatste misschien niet meer nodig zijn: een hardnekkig gerucht wil dat minister van Binnenlandse Zaken Dewael eindelijk kleur zou bekennen en zich bevoegd zou verklaren voor de controle op de aanwervingen in de politiezones. Dat zou meteen de schorsing van eentalige agenten in Brussel mogelijk maken! Dit artikel verscheen in de volgende nieuwsbrieven: Nieuwe nieuwsbrief - 17 oktober 2005
|